EOS: Ecce homo

Deze column verscheen in EOS (aprilnummer 2018).

111_eos1605

Ecce homo

Ik weet niet hoe het met u zit, maar ik voel me regelmatig een emotionele kluns. Menselijke relaties, ontmoetingen en interacties doen me vaker wel dan niet verstrikken in kwetsbaarheid, twijfel en onzekerheid. Ik vind intermenselijk contact gewoon verschrikkelijk ingewikkeld.

Ik was dan ook opgelucht toen zich in mijn puberteit een ideale vluchtweg aandiende: de wetenschap. Ik vond plots rust in een wereld waar één plus één altijd twee was. Waar visuele informatie in natuurwetten kon gegoten worden. Of waar het mengen van twee chemische stoffen onder vooraf bepaalde omstandigheden van druk en temperatuur altijd hetzelfde resultaat gaf. Het bood mijn ontwikkelende puberbrein zekerheid en stabiliteit. En een veilig universum waar rationaliteit het altijd won van emotie.

Alleen, hoe verder ik me in de wetenschap ging verdiepen, hoe rustelozer alles werd. Een klein vuiltje aan de lucht liet zich in de eerste kandidatuur chemie even optekenen in de vorm van het onzekerheidsprincipe van Heisenberg, maar dat liet ik nog genadig passeren. Immers, zolang je onderwezen wordt, lijkt kennis min of meer vast te liggen. Je stelt je weinig vragen over hoe die tot stand komt.

Wat meer weifeling in ons onderwijs kan misschien geen kwaad. Leren en durven toegeven dat we eens iets niet weten, in plaats van altijd maar weer verstrikt te raken in de betogen van het eigen grote gelijk. En dat zoiets geen teken van zwakte is. Het had mij in ieder geval wellicht kunnen behoeden voor de emotionele shock die snel na afstuderen zou volgen.

Want plots sta je daar, als jonge onderzoeker. Tegen de grenzen van nieuwe kennis aan te duwen en gebieden te verkennen waar geen mens ooit is geweest. En u raadt het: kwetsbaarheid, twijfel en onzekerheid zijn plots weer alomtegenwoordig. En het niet weten ook. Niet weten wat er voorbij de grens van onze vergaarde kennis ligt, niet weten of je ooit iets zult vinden dat van betekenis zal zijn, niet weten hoe je een resultaat moet verklaren. Daar ging mijn vluchtweg. En niets menselijks blijkt wetenschappelijk onderzoek vreemd. Euforie, mislukking, ego, verlangen: het dient zich allemaal aan. Geloof het of niet, maar wetenschap zit, net zoals elke menselijke activiteit, tjokvol emotie.

Ik zie nog altijd het vurige geluk van professor Monica Grady voor me, toen de Philae-lander na een ruimtereis van meer dan tien jaar succesvol op komeet 67P terechtkwam. Zoek de beelden van de landing maar even op YouTube, mocht u ze gemist hebben. Maar ik voel evenzeer nog steeds mijn eigen teleurstelling, toen maandenlang mislukken falen werd, en omgekeerd. Maar, eerlijk is eerlijk: intense emoties maken het leven waardevol. En ze kunnen ook hun plaats hebben in wetenschappelijk onderzoek. Heel wat kostbare ideeën zijn ontstaan vanuit intuïtie, creativiteit en toeval. Dat maakt de wetenschap mooi.

Alleen, die schoonheid heeft zijn valkuilen. We moeten ons wetenschappelijk denken keer op keer weer behoeden voor te veel intuïtie. Lees er Ons feilbare denken van de psycholoog Daniel Kahneman nog maar eens op na: van vooringenomenheid tot statistische flaters, ons brein is gewoon niet te vertrouwen. En dan wordt wetenschap, met haar spanningsveld tussen intuïtief en contra-intuïtief denken, misschien wel ingewikkelder dan menselijk contact.

Zo ingewikkeld dat ik soms blij ben om na een onderzoekende werkdag bij vrouw en kinderen te kunnen thuiskomen. Daar waar kwetsbaarheid, twijfel en onzekerheid (ook) welig tieren, maar buikgevoel nog steeds de beste raadgever is. Emotionele kluns of niet, je kunt je nu eenmaal niet constant verzetten.