EOS – genetisch

Deze column verscheen in EOS (septembernummer 2018).

’t Is genetisch, maar niet erfelijk. Huh?

“Het is blijkbaar genetisch, maar hij moet geen schrik hebben voor zijn kinderen omdat het niet erfelijk zou zijn. Dat klopt toch niet?” Een zonnige zomerdag op de tennisclub; een kennis vertelt over de kankerdiagnose bij haar schoonbroer.

Ik begrijp de verwarring maar al te goed. Zelfs ik haal de termen genetisch en erfelijk in momenten van onoplettendheid nog af en toe door elkaar. Maar het verheugt me dat mensen de vraag durven stellen. Ik denk echt dat we met z’n allen meer vragen moeten stellen als we iets niet begrijpen, zonder angst dat we dom zullen overkomen. Wetenschap is niet voor iedereen een evidentie, zelfs niet voor wetenschappers zelf.

Kanker is een genetische ziekte, maar niet noodzakelijk erfelijk. Kanker ontstaat namelijk op het moment dat een cel ergens in ons lichaam op hol slaat, en zich ongecontroleerd begint te vermenigvuldigen. Voor alle duidelijkheid: er zijn momenten in onze ontwikkeling waarop cellen wel mogen delen: tijdens de groei, om beschadigde of dode cellen te vervangen, enzovoort. Maar zo’n kankercel begint zich plots te vermenigvuldigen op plaatsen waar dat niét hoeft. En nog een keer, en nog een keer, tot zich een gezwel of tumor vormt.

Belangrijk, de oorzaak daarvan is altijd genetisch: een gen raakt beschadigd (lees: muteert) en doet niet meer wat het zou moeten doen. En dan nog een gen. En meestal nog één, want kanker ontstaat in meerdere stappen. Al die beschadigde genen zorgen samen voor een ontregeling van het doorgaans erg goed gecontroleerde proces van celdeling. Maar die beschadigde genen kunnen wél op verschillende manieren ontstaan:

  1. Het gen was al beschadigd in (één van) je ouders, en in hun zaad- of eicellen. Jij krijgt het mee, nota bene in álle cellen van je lichaam, maar je wordt niet altijd meteen ziek. Omdat er nog beschadigingen in andere genen moeten optreden. Maar je staat wel al één stap dichter, vandaar dat er gesproken wordt over ‘aanleg hebben voor’.
  1. Erfelijkheid (bis). Het gen is niét beschadigd in je ouders, maar raakt gemuteerd tijdens de vorming van een welbepaalde zaad- of eicel. Ook hier krijg je het van (één van) hen mee, in alle cellen van je lichaam. Zelf dragen je ouders de mutatie echter niet.
  1. Onze leefomstandigheden. Tabak is veruit de bekendste. Ja, roken veroorzaakt longkanker. Bij elke inhalering een nieuwe aanval op je genen. Hier raakt een gen beschadigd tijdens het leven, je erfde het niét van je ouders. En ook: enkel de cellen die in contact komen met de kankerverwekkende stof delen in de klappen.
  1. Tenslotte speelt toeval een rol. Een grote rol zelfs. Telkens een gezonde cel deelt, moeten de genen eerst verdubbeld worden. Bij dat kopieerproces kan het – toevallig – fout lopen en kan een gen beschadigd raken. En kanker veroorzaken in de borst, of maag, of eender welk ander orgaan. Enkel als zo’n beschadiging toevallig gebeurt in de geslachtscellen, kan het worden doorgeven. En zijn we terug bij het erfelijke begin.

Het ontstaan van kanker is een combinatie van erfelijkheid, leefomstandigheden en toeval. En kanker is dus genetisch, want beschadigde genen liggen altijd aan de basis. Maar kanker is niet altijd erfelijk, want je krijgt die beschadigde genen niet noodzakelijk van je ouders. En je geeft ze ook niet noodzakelijk door aan je kinderen. Ze kunnen gewoon in jouw lichaam ontstaan, en er blijven. Ik liep onlangs een oude bekende tegen het lijf. Briljante gast. Belezen ook. Maar hij viel uit de lucht toen ik vertelde dat onze genen ook tijdens het leven nog kunnen veranderen. Wees maar zeker, het is zelfs de kern van wat we elke dag in het labo proberen uit te spitten.